dinsdag 6 november 2018

De donkere kamer van Damokles


In zijn roman “De donkere kamer van Damokles” laat Willem Frederik Hermans zijn hoofdpersonage een heldhaftig leven leiden. Henri Osewoudt verlaat zijn dor bestaan in een sigarenwinkeltje en wordt verzetsheld. Op het einde van de oorlog, tevens het einde van zijn korte leven, blijkt alles op een niet-verifieerbare waarheid, wellicht een illusie, gebouwd te zijn. Zozeer zelfs, dat zijn heldhaftigheid even betekenisloos wordt als zijn saaie leven in het sigarenwinkeltje. Het is een typische gedachte van de Tweede Wereldoorlog. Het geweld van de oorlog vernietigde niet alleen huizen en mensen, maar ook ideeën. Alles waar een mens in kon geloven moest op de schop: politieke systemen, religies, ideologieën. Alles wat voor waar, goed en schoon aanzien wordt, blijkt dat niet te zijn, zelfs integendeel: iedere verering leidt onvermijdelijk naar destructie. Het is de centrale gedachte van het postmodernisme en in deze blog wil ik even stilstaan bij de betekenis van het postmodernisme vandaag.

In “De geschiedenis van de vooruitgang” wijst Rutger Bregman erop dat het postmodernisme nog steeds een dominante denkstroming is in onze maatschappij. Hij wijst ook op de pijnpunten. Ten eerste verdwijnt met alle geloof ook het geloof in de vooruitgang zelf en zoals we eerder al vaststelden: het geloof in vooruitgang is zelfbevestigend, maar het ongeloof is dat ook. Dat betekent dat als het postmodernisme ons verhindert te geloven in vooruitgang, dan zullen we ook werkelijk minder vooruitgang maken dan diegenen die zich de luxe van het postmodernisme niet kunnen veroorloven. Een ander probleem met postmodernisme is dat het ongelijke culturen gelijk behandelt, ook als er duidelijke verschillen zijn in de manier waarop culturen een plaats geven aan diversiteit in al haar vormen (nationaliteit, religie, geslacht, geaardheid, leeftijd en graad van fysieke en mentale gezondheid). Maar in onze postmoderne mainstream cultuur, is het bijna verboden te denken dat deze of gene cultuur meer geavanceerd kan zijn, ook al gebruiken we graag het criterium diversiteit. Het postmodernisme heeft niet kunnen vermijden dat we nu een aantal nieuwe heilige huisjes hebben.

Moet het postmodernisme dan ook maar op de schop, net zoals alle ideologieën die het zelf op de schop plaatste? Het postmodernisme heeft de verdienste dat het ons kritisch laat kijken naar al onze religies, gedachtestromingen en politieke systemen, zodat wij niet te snel in dweperij vervallen. Dat is gezond, want dweperij is ongezond. Als zodanig is een zeker postmodernisme heilzaam als grondstroom in de maatschappij. En toch moeten we nog zuurstof durven geven aan nieuwe ideeën als die zich aandienen.

De gezonde spanning tussen geloof en postmodernisme kwam ook al aan bod in mijn blog Sporen van geloof.

Foto uit eigen album: het Inntel hotel van Zaandam wordt beschouwd als een voorbeeld van postmoderne architectuur.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten